Hoofdstraat, later

Afbeelding

’s Middags tegen vijven nam het verkeer toe. Allemaal mannen die er jong tot zeer jong uitzagen en die blijkbaar niets omhanden hadden. Ze reden rondjes. Ze zaten in de auto om in de auto te zitten. De jongens waren paarsgewijs onderweg, bestuurder en bijrijder, en in de meeste gevallen hadden ze allebei, bestuurder en bijrijder, een baseballpet op hun hoofd. Ook leek het of er een soort parcours, een uitgezette route door het stadje liep, een tocht van een minuut of tien, want na tien minuten doken dezelfde auto’s met dezelfde bezetting weer bij dezelfde straathoek op.

Muziek was natuurlijk belangrijk. Meestal hoorde je alleen maar gedreun. Uit één auto kwam de technoproletenversie van We Don’t Need No Education (heerlijk, keihard, gemeen).
Maar er klonk ook snelle rockmuziek met Duitse teksten. En één automobilist, met een grijs soldatenuniform aan, maakte een wel heel vreemde indruk, want hij liet tijdens zijn rondrit de muziek van het jarenzestigkindsterretje Heintje dwars door het stadje schallen.

Ingehouden en langzaam rijden, kreeg ik door, was beter, leuker en spannender dan snel rijden. Als je langzaam reed, als je kroop, had je de mogelijkheid om het gaspedaal in te drukken en vanuit stilstand een kickstart te produceren.
Sommige auto’s klonken als sleepboten.
Op de achterruit stond Creed. (Je had een heel boek vol kunnen schrijven over wat er op de achterruiten geschreven stond.)
Ook stond er Opel-gang Germany.

De klassieke Oberhavelse cruiser kid gleed demonstratief langzaam door de straat, diep achterover in zijn stoel liggend, zijn elleboog in het open raam, de gestrekte arm op het stuur, te allen tijde klaar om te exploderen. Dat was de klassieke cruiserhouding uit het tijdperk van Gene Vincent en James Dean.
Daar kwam een gifgroen gespoten auto met ingebouwde veiligheidskooi aan. Nou was het alweer fijn geweest als ik iets van auto’s afgeweten had. Ik las: Ford Focus RS.