Café Schröder

Het was liefde op het eerste gezicht geweest, toen ik op
deze vrijdag in mei tegen half acht ’s avonds de deur van café
Schröder opengeduwd had en via het tochthalletje het café
was binnengegaan.
Een bomvolle ruimte. Zoiets had ik maar zelden gezien,
Grote stad, kleine stad, of middelgrote stad, dat maakte niet
uit. Er zaten uitsluitend mannen in het café, iets wat als
stemming, temperatuur, als besluit over de hier door te
brengen tijd, al in de deuropening aangenaam aanvoelde en
direct opvallend veel rust gaf.
Er was niet één middelpunt in dit café, er waren er misschien
wel vijf. Links aan de bar, die zich over een lengte van tien
meter uitstrekte tot aan het luik naar de keuken, zaten en
stonden de mannen in twee rijen. In de grote ruimte zaten ze
aan een lange tafel en aan vierkante tafeltjes, allemaal met
een geruit kleedje erover. Achter in het café, achter een uit­
schuifbare wand, speelden de kaartspelers skaat, in groepjes
van drie over wel twintig tafels verdeeld. Halverwege de bar
was aan de overkant van de ruimte een nis met een gele
kachel. De stamtafel stond ervoor, een man of tien, twaalf
eromheen. De asbak op de stamtafel was van koper en zo
groot als een eetbord. Er hing een klokje aan.