Pension Heimat

Ik moest nu datgene gaan regelen waarvoor ik de hele dag bang was geweest: een kamer krijgen in Haus Heimat.

De deur van de Heimat stond open. eén stap naar binnen maar, en je stond meteen midden in een soort grotachti­ge duisternis. en toen wist ik het weer: een stap de Duitse plattelandshoreca in, betekende altijd al een stap de vol­slagen duisternis in.

Roodachtig hout– nee, hier moest je wel zeggen: bloedbruinkleurig hout–, koperbeslag, stoel­bekleding met lila­wit­grijs­gouden patronen. Het voorste, uitzonderlijk smalle deel van het café had een tapkast met barkrukken, een verhoogde zithoek en een tweede zitplateau bij het raam, en ging naar achteren over in een grotere, raam­ loze ruimte, die volgestouwd stond met een heleboel tafels, waardoor het er even krap oogde als in het voorste deel. De overheersende kleur was ook daar het bloedbruin van al het houtwerk. De voorste en de achterste ruimte wekten– vol­komen onzinnig– de indruk dat je in een nette burgermans­ kamer in het regenwoud zat, zo vol met takken, bladeren en planten was het er. De plafonnières waren met dennentak­ ken en kleurige linten versierd; op de bar stonden potten, vazen, kelken en emmertjes waaruit allerlei groens, wits, li­lakleurigs en blauws groeide; elke tafel was opgesierd met een vaasje, papieren servetten en kaarsen; tussen de tafels stonden als bloembak functionerende afscheidingen, waarin allerlei kruipgoed, kruidenspul en stekeligs gedijde. Vlak naast de voordeur groeide een boom uit de vloer. De met klimop omwonden takken strekten zich uit langs de zolde­ring van de gelagkamer.

Jezusmina, was dat een echte boom?