Antonio Gramsci

Het werk van de Italiaanse marxist Antonio Gramsci begint pas de laatste jaren buiten Italië bekendheid te krijgen. De Quaderni del carcere (Gevangenisgeschriften) en de Lettere dal carcere (Brieven uit de gevangenis) die Gramsci tussen 1927 en ’36 tijdens zijn gevangenschap schreef, werden na de Tweede Wereldoorlog in Italië uitgegeven, samen met heruitgaven van vroeger werk (voornamelijk artikelen).

Een volledige vertaling van deze werken is tot nu toe in geen andere taal verschenen. De laatste jaren is er toenemende belangstelling voor zijn werk en verschillende, meer of minder omvangrijke vertalingen in het Frans, Duits, Engels en Spaans zagen het licht. In de Engelse ‘New Left Review’ en de ‘Socialist Register’ zijn artikelen verschenen waarin geprobeerd wordt de actuele betekenis van Gramsci’s denken voor West-Europa aan te geven. Ook in de Oost-Europese landen is de laatste tijd de belangstelling voor zijn werk toegenomen; gewezen kan worden op enkele boeiende artikelen verschenen in het blad ‘Praxis’. Ongetwijfeld is de rol die de Italiaanse communisten binnen de huidige internationale communistische beweging spelen hier een van de belangrijkste oorzaken van. De Italiaanse Communistische Partij beroept zich steeds weer op het werk van Gramsci. De binnen die partij bestaande opvattingen over de ‘eigen weg naar het socialisme’, over interne partijdemocratie, over de verhoudingen tussen de communistische partijen van verschillende landen onderling e.d. zijn direct op het werk van Gramsci terug te voeren. Italiaanse communisten noemen hun partij steevast ‘de partij van Gramsci en Togliatti.’ Vooral in de jaren vijftig zijn nogal wat populaire werkjes over Gramsci en enige biografieën verschenen waaraan een zeker element van leidersverheerlijking niet ontzegd kan worden.

Maar ook gematigde socialisten in Italië en marxisten die zich links van de communistische partij bewegen doen herhaaldelijk een beroep op het werk van Gramsci. In Italië is een omvangrijke literatuur over het denken van Gramsci ontstaan waarin zeer verschillende interpretaties van zijn werk naar voren komen. Het is opvallend hoezeer de Gramscidiscussie het platform vormt waarop actuele politieke verschillen uitgespeeld worden. Daarbij wordt die discussie op het moment vooral bepaald door de vraag in hoeverre de Italiaanse communisten een revisionistische interpretatie van het werk van Gramsci geven. Linkse marxisten verwijten de Italiaanse communisten dat in hun uitwerking het revolutionaire elan van Gramsci’s denken (en het revolutionaire elan in het algemeen) verloren is gegaan. Tegelijkertijd zijn de laatste jaren enige werken over Gramsci verschenen van niet-marxistische kant waarin betoogd wordt dat de Italiaanse Communistische Partij een nog veel te revolutionaire uitleg van zijn werk geeft. De onmiskenbare invloed die Gramsci op het politieke denken in Italië heeft, zou alleen al een vertaling van zijn werk rechtvaardigen.

Het Italiaanse marxisme neemt binnen de algemene ontwikkeling van het marxisme een bijzondere plaats in. Marx’ ideeën drongen pas vrij laat in Italië door. De Marxdiscussie speelde zich aan het eind van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw voornamelijk op academisch niveau af, i.h.b. tussen twee figuren: de hegeliaanse filosoof Benedetto Croce die, na aanvankelijk enthousiast op marxistische ideeën te zijn ingesprongen zich al snel van het marxisme afkeert en de belangrijkste denker en ideoloog van het Italiaanse liberalisme werd, en zijn leermeester Antonio Labriola die zich na een lange academische loopbaan op late leeftijd tot het marxisme bekeert. Het werk van Labriola, die in zijn tijd zeker een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste marxistische denker was, is, evenals dat van Gramsci, tegenwoordig buiten Italië vrij onbekend. Labriola’s opvatting van het marxisme als ‘filosofie van de praxis’ (praxis, omdat in dat begrip de platvloerse tegenstelling tussen praktijk en theorie vermeden wordt, zoals Labriola schrijft; Gramsci neemt het begrip filosofie van de praxis van hem over) wijkt sterk af van de Marx-interpretaties die in de rest van Europa en i.h.b. binnen de Tweede Internationale opgeld deden. Labriola is een van de eerste marxisten die de onafhankelijkheid van het marxistische denken beklemtonen: het marxisme als ‘integrale filosofie’ zoals Gramsci het later noemen zal, die zowel praktische beweging is (het marxisme als ‘Weltanschauung’, een van de belangrijkste onderwerpen van Gramsci’s Quaderni) als theorie van de historische wording, een theorie die geen verdere filosofische stutten nodig heeft.

Ook de door Kautsky gegeven popularisering en verstrakking van Marx’ opvattingen die het marxisme in Europa zo sterk beïnvloedden, drongen in Italië niet door, niet in het werk van Labriola en evenmin binnen de Italiaanse Socialistische Partij. Het was echter niet Labriola’s werk dat de Italiaanse Socialistische Partij hiervoor behoedde. Labriola trad niet op als praktisch politicus, zijn betrekkingen met de Italiaanse socialisten waren slecht en hij heeft vrijwel geen invloed gehad op de ontwikkeling van die partij. Het ‘marxisme’ binnen de Italiaanse Socialistische Partij in het eerste decennium van deze eeuw was een wonderlijk mengelmoes van ideeën, beïnvloed zowel door de uitgesproken positivistische Marx interpretatie van de econoom Achille Loria als door het ethisch-humanitaire socialisme van Turati, de man die de partij jarenlang geleid heeft, met anderzijds sterk syndicalistische stromingen en anarchistische invloeden. Het kritische marxisme van Labriola bleef een geïsoleerd erfgoed. Ook op de intellectuele vorming van de jonge socialisten die in 1921 de Italiaanse Communistische Partij zullen oprichten en verder leiden (waaronder Gramsci, Togliatti, Terracini, Bordiga) heeft Labriola vrijwel geen invloed gehad. Gramsci gaat pas in de Quaderni dieper op zijn werk in. Men kan spreken van een Italiaanse traditie van kritisch, onafhankelijk en zich vrij geïsoleerd ontwikkelend marxisme (waarvan Labriola, Gramsci en Togliatti de belangrijkste vertegenwoordigers zijn) maar dit is geen continue ontwikkeling geweest. Gramsci kan niet beschouwd worden als een leerling van Labriola en van Togliatti kan evenmin gezegd worden dat hij zonder meer het werk van Gramsci voortgezet heeft. Het is niet eenvoudig om een verklaring te geven voor deze ontwikkeling. Het wonderlijke is dat ook Italiaanse marxisten nooit geprobeerd hebben een sociaalhistorische, zo men wil historisch-materialistische benadering van de eigen geschiedenis te geven. Voor zover geprobeerd wordt een verklaring voor deze traditie te geven, wordt gewezen op het ‘Ideengeschichtliche’, het ideologische moment: de invloed van het linkse neohegelianisme op het Italiaanse marxistische denken. Voor het werk van Gramsci wordt dan i.h.b. gewezen op de invloed van Croce (ook Gramsci heeft geschreven dat hij in zijn jeugdjaren ‘nogal crociaans’ was) en op het punt dat hierboven al aangestipt werd: het ontbreken van de Kautsky-erfenis in Italië, het feit dat Gramsci, waar hij zich theoretisch bezighoudt met het marxisme, direct op de werken van Marx en Engels teruggrijpt.

Antonio Gramsci, in 1891 in Ales (Sardinië) geboren, schrijft zich in 1911 in aan de Universiteit van Turijn. Van 1911 tot 1915 studeert hij, met beurzen die verleend werden aan ‘arme Sardijnse studenten’, letteren en geschiedenis. Met politieke activiteit houdt hij zich de eerste jaren nauwelijks bezig, zijn politieke belangstelling gaat nog voornamelijk uit naar de problemen van zijn geboorte-eiland Sardinië. Gramsci heeft geschreven dat hij zich in 1913, bij de verkiezingen op dat eiland, bewust is geworden van de beperktheid van zijn regionale visie. Eind 1913 of begin 1914 wordt hij lid van de Italiaanse Socialistische Partij, waar hij snel grote activiteit ontplooit. In oktober 1914, als in de socialistische partij de discussie tussen vóór en tegenstanders van interventie in de oorlog hoog oplaait, verschijnt zijn eerste politieke artikel in het socialistische dagblad ‘Il Grido del Popolo’, een artikel waarin hij stelling neemt tegen de interventionistische lijn van de socialist Mussolini én tegen de neutrale lijn van de partij, wat z.i. in de praktijk neerkwam op steun aan de oorlogsvoering. In de loop van 1915 geeft Gramsci zijn universitaire studies op, daartoe grotendeels gedwongen door geldgebrek en de onmogelijkheid om regelmatig examens te doen i.v.m. zijn bijzonder slechte gezondheidstoestand. Hij wijdt zich dan geheel aan partij- en journalistiek werk, tot 1919 in ‘Il Grido del Popolo’ en de Turijnse uitgave van ‘L’Avanti!’, het orgaan van de socialistische partij. Begin 1917 verschijnt La città futura, een manifest van 4 pagina’s, voor een groot deel door Gramsci geschreven. Het is een soort blauwdruk voor de toekomst en kan gezien worden als de afsluiting van Gramsci’s jeugdwerk. Gramsci’s artikelen tot 1919 omvatten een veelvoud van onderwerpen. Deze gevarieerdheid van belangstelling is trouwens kenmerkend voor zijn gehele werk dat daardoor vaak een onsystematische indruk maakt. Gramsci is, door de omstandigheden waarin hij geleefd heeft, nooit aan systematiseren van zijn werk toegekomen maar uit zijn hele denken blijkt ook duidelijk dat hij niet in een systeembenadering geloofde. Het marxisme, opgevat als filosofie van de praxis (een begrip dat hij pas in de Quaderni zal gaan gebruiken) is onverenigbaar met een verstrakt, allesomvattend systeem. In de Quaderni zet Gramsci dit vooral uiteen in zijn kritiek op de populaire uiteenzetting van het marxisme die door Boecharin is gegeven (zie het betreffende hoofdstuk in deze bundel), maar ook in de Scritti giovanili wordt dit al duidelijk. In 1918 schrijft hij in een artikel getiteld ‘Onze Marx’: ‘Marx heeft geen doctrinetje geschreven, hij is geen Messias die een aantal parabelen heeft nagelaten, vol categorische imperatieven, vol van onbetwistbare, absolute, buiten tijd en plaats bestaande normen. Enig categorisch imperatief, enige norm: proletariërs aller landen, verenigt u.’ Voor Gramsci is Marx … noch mysticus, noch positivistisch metafysicus. Hij is historicus, hij interpreteert de documenten van het verleden, alle documenten en niet alleen een deel ervan.

Dit was nu juist de intrinsieke tekortkoming van de geschiedschrijving … De geschiedenis was alleen het domein van de ideeën. De mens werd gezien als geest, als puur bewustzijn … Met Marx blijft de geschiedenis het domein van de ideeën, van de geest, van de bewuste activiteit van individuen, apart of gezamenlijk. Maar de ideeën, de geest krijgen ondergrond, verliezen hun willekeurigheid, het zijn geen nietszeggende religieuze of sociologische abstracties meer. Die ondergrond ligt in de economie, in de praktische activiteit, in de productie- en ruilsystemen en -verhoudingen.’ Voor Gramsci is het marxisme ‘absoluut historisme’, ‘absoluut humanisme van de geschiedenis’. Het marxisme als integrale filosofie is geen vaststaand systeem maar moet iedere dag opnieuw concreet, praktisch en theoretisch, uitgewerkt worden. Het is ongetwijfeld zo dat ook met Gramsci de geschiedenis ‘het domein van de ideeën’ blijft, zo sterk dat hij door verschillende schrijvers de ‘theoreticus van de bovenbouw’ is genoemd. Gramsci’s belangstelling voor strikt economische problemen is vrijwel nihil; hij dringt wel voortdurend aan op concrete structuuranalyses maar waar hij die zelf uitvoert, verplaatst zijn belangstelling zich al gauw naar het bovenbouwmoment. De nadruk die Gramsci legt op de actieve betekenis van het bovenbouwmoment is zeker groter dan in het marxistische denken in zijn tijd gebruikelijk was en waarschijnlijk nu nog is.

De Scritti giovanili bevatten verschillende artikelen die betrekking hebben op de Russische Revolutie en op de figuur en het werk van Lenin. Ook daarin komt de nadruk op het bovenbouwmoment sterk tot uiting. In een beroemd artikel van januari 1918, ‘De Revolutie tegen Het Kapitaal,’ schrijft hij dat de Russische communisten een revolutie hebben doorgevoerd die ingaat tegen de veronderstellingen van Marx’ Kapitaal: ‘Het Kapitaal van Marx was in Rusland meer het boek van de burgers dan van de proletariërs. Het was het kritische bewijs van de fatale noodzaak dat in Rusland een bourgeoisie zou ontstaan, dat een kapitalistisch tijdperk zou beginnen … voordat de proletariër ook maar zou kunnen denken aan … zijn revolutie … De bolsjewieken bewijzen door hun expliciete actie, door hun veroveringen, dat de axioma’s van het historisch materialisme niet zo onverbrekelijk zijn als men zou kunnen denken en gedacht heeft … Zij zijn geen “marxisten” … Zij leven de marxistische gedachte.’

De communisten hebben in Rusland niet alleen de staatsmacht veroverd, niet alleen de dictatuur van het proletariaat is werkelijkheid geworden maar de Russische Revolutie betekende ook het verwerkelijken van de hegemonie van het proletariaat. Hegemonie is een kernbegrip in Gramsci’s denken. In de Quaderni analyseert hij de hegemonie van de bourgeoisie over het proletariaat, een begrip waarin niet alleen de economische en politieke maar ook de culturele overheersing van de ene klasse over de andere tot uiting komt. Het ‘culturele front’ dat in de Scritti giovanili al benadrukt wordt, krijgt in de Quaderni extra dimensie omdat Gramsci meent dat ook in de werkelijkheid van de bourgeoissamenleving dat culturele front van steeds groter betekenis wordt.

De Scritti giovanili bevatten verder een groot aantal artikelen waarin Gramsci’s kritiek vervat is op de reformistische lijn van de Italiaanse Socialistische Partij. Door de wijze waarop partij en socialistische vakverbonden reageren op de massale stakingen die in Turijn in 1917 en volgende jaren uitbreken, wordt Gramsci’s kritiek verscherpt. In de massale arbeidersbeweging die Turijn van 1917 tot eind 1920 in haar ban hield — culminerend in de fabrieksbezettingen van 1919 en 1920 — heeft Gramsci een belangrijke rol gespeeld. Het door Gramsci, Tasca, Terracini en Togliatti op 1 mei 1919 opgerichte blad ‘Ordine Nuovo’ was het belangrijkste orgaan van de arbeidersradenbeweging en de groep rond het blad vormde een van de organisatorische kernen van de beweging. Het model van de arbeidersraad, of sovjet, zoals dat in ‘Ordine Nuovo’ ontwikkeld werd, sloot onmiddellijk aan bij de praktische ontwikkelingen die zich in Turijn voordeden, het was zeker geen abstract model. In ‘Ordine Nuovo’ polemiseert Gramsci sterk tegen de partij en i.h.b. tegen het vakverbond als organisatie. In zijn opvatting is het vakverbond een organisatie van de arbeiders als loontrekkers, niet van de arbeiders als producenten. De arbeidersraad daarentegen is een ‘organische’ vorm waarbij alle arbeiders, als producenten, betrokken zijn. Het in ‘Ordine Nuovo’ aangegeven algehele radensysteem vertoont twee aspecten: het is zowel de vorm (economisch en politiek) van de toekomstige arbeidersstaat als de organisatievorm van de arbeidersklasse in de kapitalistische maatschappij die de meeste perspectieven biedt voor het slagen van de revolutie. Het is het organiseren van de ‘antistaat’ waarin en waardoor de arbeiders zich van hun kracht bewust worden. In dit bewustwordingsproces ligt voor Gramsci ook het belangrijkste verschil met het vakverbond. De vakverbonden hebben z.i. een belangrijke rol gespeeld in het emancipatieproces van de arbeiders maar zij hebben verhinderd dat de arbeider zich ervan bewust werd producent te zijn en dus in laatste instantie ook de enig verantwoordelijke voor het productieproces. Uit de artikelen in ‘Ordine Nuovo’ blijkt dat voor Gramsci de revolutie een proces is dat begint lang voor de werkelijke machtsoverneming plaatsvindt en dat die machtsoverneming geen zin heeft als niet al de kern van een nieuw bewustzijn en van een nieuwe organisatie is gecreëerd. Op het ‘nieuwe bewustzijn’ ligt in zijn werk steeds de nadruk; in de Quaderni spreekt hij herhaaldelijk van de ‘intellectuele en morele hervorming’ die het marxisme is. In verschillende studies over Gramsci wordt de raden-Gramsci van 1919-1920 gesteld tegenover de partij-Gramsci van later jaren. Net zoals er een neiging is om de jonge Marx tegenover de oude Marx te stellen, is er een neiging om de jonge, soepele, ondogmatische, anti-partij Gramsci te stellen tegenover de verstrakte partij-Gramsci van de Quaderni. M.i. is dit onjuist. Het is een overtrekking van het organisatorische moment. Gramsci schreef in 1921: ‘De arbeidersklasse bouwt haar staat op als zij het vertrouwen en de consensus van de volksmassa’s veroverd heeft’, en dat is m.i. de belangrijkste conclusie t.a.v. de ervaringen van 1919-1920. Die conclusie handhaaft hij in zijn gehele werk: de partij is ook in de Quaderni zeker niet het alleenzaligmakende instrument van de revolutie. De ‘anti-partij’ Gramsci van de jaren 1919-1920 richt zich in de eerste plaats tegen de bestaande socialistische partij waar hij scherpe kritiek op heeft. Met het mislukken van de Turijnse radenbeweging ziet ook de ‘Ordine Nuovo’-groep zich voor het probleem van nieuwe organisatorische vormen gesteld en de groep gaat op in de in 1921 gestichte Italiaanse Communistische Partij. Het beeld van Gramsci als de belangrijkste oprichter van de Italiaanse CP is onjuist. Gramsci heeft tot vlak voor de oprichting betoogd dat werken aan een radicale hervorming van de socialistische partij te verkiezen was boven afsplitsing. Die afsplitsing werd doorgezet door Amadeo Bordiga en de groep rond het blad ‘Il Soviet’, dat te Napels verscheen. Gramsci nam begin 1921 binnen de linkse oppositie in de socialistische partij een vrij geïsoleerde positie in. Met het wegebben van de radenbeweging in Turijn was ook de organisatorische basis waar de ‘Ordine Nuovo’-groep op steunde, weggevallen. Bovendien was de groep zelf verdeeld over een in die dagen belangrijke strijdvraag: het wel of niet deelnemen aan de verkiezingen. Gramsci was voorstander van deelneming. In de communistische partij maakte Gramsci weliswaar deel uit van het centraal comité maar de leiding van de partij was in handen van Bordiga. De jaren ’21 en ’22 houdt Gramsci zich vooral bezig met het dan dagblad en officieel orgaan van de CP geworden ‘Ordine Nuovo’ (de in deze jaren verschenen artikelen zijn gebundeld in Socialismo e fascismo). Deze artikelen vormen voor een deel een bezinning op de ervaringen van de jaren 1919-1920. Gramsci wijst er nadrukkelijk op hoezeer de beweging beperkt was tot één stad: Turijn. Hiermee hangt samen het probleem van de verhouding stad en platteland, de verhouding arbeiders en boeren, een vraagstuk dat met dat van de arbeidersraden de hoofdschotel vormde van de oude ‘Ordine Nuovo’. En beide vraagstukken die gezien werden als een onmiddellijke weerspiegeling van de ervaringen van de Russische Revolutie. In Alcuni temi della quistione meridionale dat Gramsci in 1926 schreef (en door zijn arrestatie niet afkwam) vat hij zijn opvattingen hierover als volgt samen: de noodzaak van een politieke alliantie tussen de arbeiders in het Noorden van Italië en de boeren in het Zuiden, revolutionaire actie van beide klassen onder leiding van het industriële proletariaat, en de onmogelijkheid van revolutie zonder de steun van de boeren. Hij schrijft dat de communisten in Turijn zich concreet met de vraag naar de hegemonie van het proletariaat bezig hadden gehouden en wel tot de conclusie moesten komen dat de klassenalliantie van boeren en arbeiders in een land als Italië een fundamentele voorwaarde voor de revolutie is. In een aantal recente werken over Gramsci is, vooral in verband met zijn benadering van het boerenvraagstuk, gewezen op de parallel tussen zijn denken en dat van Mao Zedong. De rol die Gramsci de boeren — theoretisch — toekent, is echter veel geringer dan in China — praktisch — het geval is, waarmee niet zozeer iets is gezegd over het al dan niet kunnen trekken van parallellen tussen Gramsci en Mao als wel over het verschil in situatie tussen China en Italië. Die parallel wordt ook doorgetrokken voor punten als de ‘eigen weg’ die het socialisme in verschillende landen moet gaan (overigens heeft Gramsci nooit expliciet over een eigen Italiaanse weg naar het socialisme gesproken, zoals de Italiaanse communisten nu doen; hij meent — en ik neem aan dat vrijwel alle marxisten zich daarmee zullen verenigen — dat de eigen geschiedenis bepalend is voor de vorm en inhoud van het revolutionaire proces) en de sterke nadruk die beiden leggen op de praxis en de activerende betekenis van het bovenbouwmoment. Het is zeker verleidelijk om de ‘intellectuele en morele hervorming’ waar Gramsci voortdurend op hamert te vergelijken met China’s Culturele Revolutie. De nadruk op de praxis, op het bewust willen is voor sommige schrijvers aanleiding om te spreken van een ‘voluntaristische’ interpretatie van het marxisme, zowel door Gramsci als Mao. Als hiermee bedoeld wordt dat de deterministische-economische interpretatie van het marxisme doorbroken wordt en gewezen wordt op het moment van het bewustzijn, van de wilselementen, dan is dat zeker juist. Als er mee bedoeld wordt wat Gramsci het ‘arbitraire willen’ noemde, dan is het onjuist. Gramsci schreef in 1918: ‘Voluntarisme? Het woord betekent niets of wordt in de betekenis van arbitrair willen gebruikt. Wil, marxistisch opgevat, betekent bewustzijn van het doel, en dat betekent weer exacte noties van de eigen kracht en van de middelen waarmee die in de actie tot uiting kan komen.’

De ‘intellectuele en morele hervorming’ die in de radenbeweging op gang was gekomen, krijgt in de beginjaren in de Italiaanse CP niet veel kans. Gramsci, die in zijn gehele werk op de noodzaak van eenheid wijst (en deze ook praktisch probeerde te verwerkelijken: in de ‘Ordine Nuovo’-groep werkten verschillende anarchisten en één van de redacteuren van het blad was een radicale liberaal, Piero Gobetti) kwam tegenover de sektariër Bordiga te staan. Bordiga wenste, ook in de strijd tegen het opkomende fascisme, geen samenwerking met niet-communistische groeperingen. Uit de artikelen die Gramsci over het fascisme heeft geschreven, blijkt dat hij de officiële partijlijn nooit aanvaard heeft, niet waar het de analyse van het fascisme en niet waar het de te voeren politiek betrof. Gramsci heeft nooit een afgeronde theorie van het fascisme gegeven. Hij ziet het als een van de vormen van de bourgeoisstaat, ‘slaaf van het kapitalisme, agent van de contrarevolutie.’ Maar terwijl dit voor de dogmatische vleugel van de partij een afdoende verklaring is, krijgt Gramsci oog voor de massabasis van het fascisme. Hij onderscheidt een stedelijk en agrarisch fascisme. Het stedelijke fascisme steunt op de stedelijke kleine burgerij die, in tegenstelling tot het proletariaat, geen essentiële productieve taak in het economische leven heeft. Het is een zuiver politieke klasse geworden die geen historische functie meer heeft. Met de ernstige verzwakking van de Italiaanse staat na de Eerste Wereldoorlog keert deze klasse zich tegen alle vormen van democratische staatsinrichting en ziet als enige oplossing de dictatuur: het fascisme. Gramsci meent dat het stedelijk fascisme gematigder is dan het agrarisch fascisme: op het platteland neemt het fascisme de vorm aan van bewuste terreuracties tegen de opkomende boerenbeweging, de fascisten daar staan in dienst van en worden gehuurd door de middelgrote en grootgrondbezitters. In 1926 schrijft hij: ‘Het (fascisme) bevat de kiemen van een oorlog die ogenschijnlijk gevoerd zal worden omwille van de Italiaanse expansie maar waarin het fascistische Italië in werkelijkheid een werktuig zal zijn in handen van één van de imperialistische groepen die om beheersing van de wereld strijden.’

In 1922 wordt Gramsci door de partij aangewezen om zijn land te vertegenwoordigen bij de Internationale. In mei vertrekt hij naar Moskou. Zijn gezondheidstoestand is dan echter dermate verslechterd dat hij het grootste deel van het jaar doorbrengt in een sanatorium in de buurt van Moskou. Van de kant van de Internationale wordt aangedrongen op fusie van communisten en socialisten in Italië en een ‘fusiecomité’ komt tot stand, waar ook Gramsci deel van uitmaakt. De vertegenwoordiger van socialistische zijde wordt echter in december ’22 gearresteerd. Bordiga, die zich sterk tegen de fusie verzette, wordt begin ’23 gearresteerd en tegen Gramsci wordt een arrestatiebevel uitgegeven. Zijn verkiezing tot parlementslid in ’24 maakt het hem mogelijk naar Italië terug te keren waar hij de leiding van de partij op zich neemt. Tot ’26 (als hij ondanks de parlementaire onschendbaarheid gearresteerd wordt) is zijn activiteit verdeeld tussen strijd tegen het fascisme enerzijds en anderzijds tegen de nog altijd sterke invloed van Bordiga en diens opvattingen binnen de partij.

Van wat hij tussen ’22 en ’26 heeft geschreven, is maar een gedeelte gepubliceerd. Daarvan heeft veel betrekking op voor de tijd actuele politieke vraagstukken, die voor zijn theoretische ontwikkeling van relatief belang zijn. In het in ’26 geschreven Alcuni temi delta quistione meridionale gaat Gramsci voor het eerst dieper in op een vraagstuk dat een groot deel van de Quaderni impliciet zal beheersen: het vraagstuk van de intellectuelen. Gramsci analyseert daar de rol die ‘organische’ en ‘traditionele’ intellectuelen in de Europese geschiedenis gespeeld hebben, maar steeds is op de achtergrond de vraag aanwezig welke rol de intellectuelen kunnen spelen in de morele en intellectuele hervorming die het marxisme tot stand brengt, hoe een groep organische intellectuelen van de arbeidersklasse kan ontstaan. Bij het beantwoorden van het ‘hoe’ staat hem duidelijk de groep intellectuelen binnen de ‘Ordine Nuovo’-groep voor ogen, mensen die zich hecht verbonden hadden met de arbeidersklasse en voor een groot deel zelf uit die klasse voortkwamen, arbeiders die in de loop van hun politieke ontwikkeling de rol van intellectuelen, zoals door Gramsci omschreven, zijn gaan spelen. Het begrip ‘collectieve intellectueel’ krijgt bij Gramsci concrete betekenis: pas als de groep organische intellectuelen van de arbeidersklasse die klasse vrijwel geheel omvat, zal de intellectuele en morele hervorming werkelijkheid zijn geworden. Het ‘de gehele mensheid zal bourgeois zijn’, zoals Gramsci spottend het ideaal van de bourgeoisie omschrijft, lijkt bij hem ‘de gehele mensheid zal intellectueel zijn’ te worden. De rol die Gramsci de intellectuelen, in de specifieke betekenis die hij aan dat woord geeft, toekent is dus bijzonder groot. Het heeft tot de m.i. volledig onjuiste interpretatie geleid dat Gramsci de intellectuelen ziet als de groep waaruit maatschappelijke verandering moet voortkomen, de leidersgroep die de arbeidersklasse zal meeslepen of het desnoods alleen op zal knappen (Gramsci als een soort voorloper van Marcuse). In deze opvatting worden de intellectuelen opnieuw ingevoerd als een al gegeven sociale categorie, onafhankelijk van de arbeidersklasse, die tot taak heeft die klasse op te voeden. In Gramsci’s begrip ‘organische intellectuelen’ is deze tegenstelling juist vermeden.

Na zijn arrestatie verblijft Gramsci tot mei ’27 op het verbanningseiland Ustica. 28 mei 1928 begint in Rome voor een speciale rechtbank het proces tegen Gramsci en andere communistische leiders. Gramsci wordt veroordeeld tot ruim twintig jaar gevangenisstraf. Bijna vijf jaar daarvan brengt hij door in de gevangenis van Turi (in de buurt van Bari). Eind ’33 is hij er lichamelijk zo slecht aan toe dat hij in een kliniek moet worden opgenomen. Vanaf eind ’35 verblijft hij in een kliniek in Rome waar hij — enige dagen voor hij vrijgelaten zou worden, wat o.a. mogelijk werd door een internationale actie die voor hem gevoerd was — op 27 april 1937 aan een hersenbloeding overlijdt. De Quaderni del carcere vormen een totaal van 2848 dicht beschreven vellen, waarvan het eerste gedateerd is op 8 februari 1929. Deze voor het Italiaanse marxisme ‘klassieke teksten’ zijn onder de meest erbarmelijke omstandigheden ontstaan. Gramsci was er fysiek zeer slecht aan toe; hij had veel zorgen over zijn vrouw en kinderen die in financieel slechte omstandigheden in Moskou achtergebleven waren. Van enige studie kon in de gevangenis geen sprake zijn, van de ontwikkelingen na ’26 krijgt hij slechts sporadische berichten. De gevangeniscensuur maakte dat Gramsci vaak in zeer bedekte termen moest schrijven, verwijzing naar actuele omstandigheden was vrijwel uitgesloten. De Quaderni hebben daardoor vaak een abstract karakter dat in tegenspraak is tot Gramsci’s sterk historisch en concreet denken. Gramsci beschouwde de aantekeningen die hij in de gevangenis maakte als voorlopige studies, die waarschijnlijk op veel punten verbeterd moesten worden omdat zij feitelijk onjuist waren en die in ieder geval verdere uitwerking nodig hadden. Het voorlopige karakter van de Quaderni heeft niet verhinderd dat deze teksten tot de belangrijkste van het twintigste-eeuwse marxistische denken zijn gaan behoren.

Deze Nederlandse bloemlezing bevat een keuze uit de Quaderni, uit de teksten die samengebundeld zijn de werken Il materialismo storico e la filosofia di Benedetto Croce, Gli intellettuali e l’organizzazione della cultura en Note sul Machiavelli, sulla politica e sullo Stato moderno.

Het bleek een onmogelijke opgave om, binnen het gegeven bestek, een enigszins uitgebalanceerde keuze te maken waarin zowel werk van vóór ’26 als van daarna zou zijn opgenomen. Voor de nu gemaakte keuze is de indeling gevolgd die gemaakt werd door een studiegroep die in ’48 en ’49 de eerste uitgaven van Gramsci’s Quaderni verzorgde. Daarbij werd geprobeerd voor ieder werk een indeling te maken naar hoofdthema en aanvullende aantekeningen. Ik heb weer een keuze gemaakt uit de hoofdthema’s van de drie hierboven genoemde werken waarin het algemene filosofische en politieke denken van Gramsci naar voren komt. De overige delen van de Quaderni bevatten aantekeningen die betrekking hebben op literatuur- en taalproblemen, op de geschiedenis van Italië, op journalisme, problemen van schoolorganisatie, opvoeding enz. Het is zeker niet zo dat het algemene filosofische en politieke denken van Gramsci hierin niet tot uiting zou komen, het is wel zo dat het lezen ervan pas zin heeft na kennismaking met de hoofdthema’s. Ik meen dat in deze keuze de kern van Gramsci’s werk naar voren komt. Ik ben me ervan bewust dat het toch al abstracte karakter van de Quaderni door deze keuze geaccentueerd is.

Yvonne Paci-Scholten