In voorbereiding.
In vertaling van Lucinde de Jong.
Friedrich Schlegels Lucinde verscheen in het voorjaar van 1799 bij de Berlijnse uitgever Heinrich Frölich. Schlegel, docent, essayist, schreef het werk in Berlijn, waar hij woonde en werkte. Hij deelde een woning met de theoloog Friedrich Schleiermacher, en nam actief deel aan het intellectuele leven rond de salons van Henriette Herz en Rahel Varnhagen. Zijn verhouding met Dorothea Veit, die hij in die periode ontmoette en later huwde, vormt een herkenbare context.
Lucinde is geen roman in de traditionele zin. Het boek bestaat uit een reeks fragmenten: brieven, beschrijvingen, dialogen, literaire miniaturen en filosofische passages. De centrale figuur is Julius, een schrijver die reflecteert op zijn liefdesverhouding met Lucinde. Het vertelperspectief is sterk intern en wisselt tussen overpeinzing, evocatie en theoretische beschouwing. De roman kent geen lineaire handeling of gesloten karakterontwikkeling; eerder is het een literaire denkruimte, waarin liefde, herinnering en esthetische vorm voortdurend onder spanning staan.
In de proloog verwijst Schlegel expliciet naar schrijvers als Francesco Petrarca (Canzoniere, ca. 1336–1374), Giovanni Boccaccio (Decamerone, 1348–1353), Miguel de Cervantes (1547-1616) en Pedro Calderón de la Barca (La vida es sueño, 1635). Hij noemt Cervantes en prijst “de voortreffelijke voorrede tot Cervantes De beproevingen van Persiles en Sigismunda als een van de mooiste romantische vertellingen die hij kent.
De namen in de proloog functioneren als literaire ijkpunten, niet als voorbeelden om te imiteren. Ze staan voor een traditie waarin ironie, subjectiviteit en literaire meta referenties, bewust ruimte krijgen.
Inhoudelijk en poëticaal contrasteert Lucinde met Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795–1796), dat in Schlegels ogen te veel nadruk legt op aanpassing aan maatschappelijke orde. Julius ontwikkelt zich niet via integratie, maar via liefde, mislukking en reflectie. Deze tegenstelling raakt aan Schlegels eigen poëzieopvatting, zoals verwoord in zijn bijdragen aan het tijdschrift Athenaeum. Daar pleitte hij voor een “progressieve universele poëzie”: een open, zich voortdurend ontwikkelende vorm, die fragment en zelfreflectie niet als tekort ziet, maar als wezenlijk kenmerk van het moderne schrijven.
De roman bevat daarnaast talrijke verwijzingen naar beeldende kunst en muziek. Julius’ beschrijvingen van Lucinde doen denken aan werken als Botticelli’s Geboorte van Venus (ca. 1485) of Correggio’s Danaë (ca. 1531). Muzikaal resoneert het ideaal van eenvoudige, directe expressie zoals verbeeld in Glucks Orfeo ed Euridice (1762).
Bij verschijning riep Lucinde hevige kritiek op. Recensenten verwierpen de losse structuur, de filosofische toon, en vooral de openlijke bespreking van een seksuele liefdesrelatie buiten het huwelijk. In latere decennia werd het werk herontdekt als een vroege en invloedrijke tekst van de Frühromantik, niet om zijn verhaal, maar om zijn vorm. Lucinde is geen afgerond werk, maar een poging. Een zoektocht naar literaire vorm voor ervaringen die zich moeilijk laten vangen: liefde, verlies, verlangen, denken.
(Beta)
