Faber, de verwoester, Tristan Garcia

We waren kinderen uit de middenklasse van een gemiddeld Westers land, twee generaties na een gewonnen oorlog, één generatie na een geflopte revolutie. We waren niet rijk en niet arm, we wensten de aristocratie niet terug, we streefden geen enkele utopie na en de democratie kon ons niet meer schelen. Onze ouders hadden gewerkt, maar nooit ergens anders dan op kantoor, op school, bij de post, in het ziekenhuis of bij de overheid. Onze vaders droegen geen kiel en geen stropdas, onze moeders geen schort en geen mantelpak. We waren grootgebracht en opgevoed met boeken, films, liedjes – met de belofte dat we individuen zouden worden. Ik geloof dat we alle reden hadden om een ander leven te verwachten. We hebben gestudeerd – een beetje, genoeg, te veel –, we hebben geleerd om kunst en kunstenaars te respecteren, om ondernemingsgezind te zijn en nieuwe dingen te willen maken, maar ook om te dromen, om te wandelen, om onze vrije tijd te waarderen, om te geloven dat we allemaal genieën konden worden, die domheid verachtten en dictatuur en de gevestigde orde haatten, zoals het hoort. Maar eenmaal volwassen begrepen we dat er, om in ons levensonderhoud te kunnen voorzien zoals iedereen, niets anders op zat dan achteraan aan te sluiten en te gaan werken. Op dat moment was het crisis en kon je geen werk meer vinden, of het was zwaar onderbetaald. We hebben de maatschappij moeten dulden als een tweemaal verbroken belofte. Sommigen zijn eraan gewend geraakt, anderen hebben het nooit leren verdragen. In hen woedde een oorlog tegen het hele universum, dat hen een glimp had laten opvangen van het echte leven, van de mogelijkheid iemand te zijn, en dat na hun tienerjaren de eindbel van het speelkwartier voor de middenklasse had laten klinken. Aan de zoons en dochters van de generatie van de dertig naoorlogse gloriejaren en mei ’68 werd gevraagd het bedrieglijke beeld dat ze van vrijheid en zelfverwerkelijking hadden te laten varen en zich te hullen in het onzichtbare uniform van personen. Velen zijn verarmd, een enkeling is gewelddadig geworden. De meesten hebben zich halfslachtig verzet, maar zich daarna zonder moeilijk te doen teruggetrokken in de massa. Ze hebben geprobeerd te redden wat er te redden viel: hun maatschappelijke voortbestaan. Ik ben een van degenen die ervoor hebben gekozen het hoofd te buigen om onder de deur van mijn tijd door te kunnen – maar Faber niet, helaas of gelukkig maar.

En daarom heeft hij me niet meer losgelaten.

Tristan Garcia, Faber, fragment vertaling Eva Wissenburg

29,95